Categorie archief: Gerdien

Gerdien Brinkman (61) valt misschien qua leeftijd niet in de doelgroep, maar met haar vlotte en positieve schrijfstijl is zij een mooie aanwinst voor brainstormt. Gerdien heeft NAH. In vijf turbulente jaren van vallen en opstaan heeft ze genoeg stof opgedaan voor eindeloos veel blogs; soms hilarische, soms verdrietige. Maar altijd met perspectief.

Lees meer over Gerdien in de rubriek ‘Mijn Verhaal’.

Kalkarm

Lees voor met webReader

 

Enige tijd geleden meldde ik in een column op deze plek dat een marktkoopman zijn kraam ontmantelde terwijl ik langsliep: met een welgemikte klap met de hamer bèngggg sloeg hij een dwarsbalk klèèènggg van een onderstel af, klàààfff op mijn toch al danig ontregelde voet.
Ik heb daarbij eerlijk vermeld dat mijn reactie de gehele markt en een paar drukbezette terrassen stil kreeg. Overprikkeld (markt maakt herrie en is druk), NAH en verlies van impulscontrole geeft soms ongeremde reacties. En dat was het: ongeremd.

Maar nu die voet: na een paar weken hompelen, ben ik toch maar naar de huisarts gegaan (“jeetje”, aldus de huisarts) en die stuurde me door met een foto van de voet vast te stellen of er sprake was van een breuk of een andersoortige beschadiging.
Niet dus.
Maar wel een kalkarm skelet. Tja, je bent op leeftijd of niet! En bijna 63 is wel enigszins op leeftijd….
Weer een serie pillen erbij, die ik blijmoedig slik.

De markt mijd ik ( nooit meer twee doos/mangoos/voor twee euroos), terrassen niet.

Au op de Markt

Lees voor met webReader

AU OP DE MARKT

prikkelverwerking  en dan in combinatie met impulsgedrag……

Aiiiiii!

Dat heb ik geleerd, dat wel: als je veel prikkels hebt te verwerken, dien je je impulsen onder controle te houden. Althans: dat tràchten te doen.
Dat lukt dus niet altijd. Want: lees het volgende verhaal.

Mijn linkerkant is enigszins gemankeerd en dat mankement laat zich het meest voelen in de meest extreme extremiteit: mijn linkervoet.

Het verhaal over de markt gaat verder als volgt (en is niet zo netjes..).

We lopen over de markt, na een mislukte start op de veels  te drukke markt ( twee doos áárbeien voor twee euróóós; twee dóós mangóós voor twee euróós. Ik raad dit je aan: doe het niet, ze zijn geen van alle goed meer, zo bij het scheiden van de markt en misschien daarvoor ook al niet).
De markt was  een herrie van jewelste, een drukte van mensen idem –er liepen veel  veelste  te veel obese mensen èn een–ahum, lichtrose bebopkapsel- vrouw die met haar fiets !!! op de Melkmarkt!!!aan de hand telkens liep waar ik heen wilde en dan haar fiets overdwars (!!!) neerzette om iets voor twee euroos  per doos te kopen, naar alle waarschijnlijkheid.
Ze had twee grote fietstassen aan haar tas hangen;  dus zou ze nog wel een uurtje of wat over de markt laveren.
Overigens betrof de obesitas de ècht  veels te obese Britse mannen en die hebben echt geen benul van markt and behaviour, dus dat is sowieso lauw loenen.

Kortom, mijn prikkelverwerkingsvermogen was al lang over de top heen. Alles tintelde, mijn linkervoet, qua extreme extremiteit, barstte zowat uit elkaar.
Maar gepast en ingehouden (always keep your dignity, pffrrr)  vervolgden we onze weg en zochten een goed heenkomen naar een rustiger gedeelte van het centrum van de stad.
Deze weg voerde langs een marktkoopman die zijn kraam aan het afbouwen was.
Ohoh, dacht ik, ohoh, mind my left foot.
Hij gaf met een rake klap een stuk van zijn stelling vrij en dat kwam met een even zo rake klap op mijn linkervoet terecht.

Ik behield mijn waardigheid niet.
Mijn impulsgedrag nam het over en ik vloekte hem en het hele terras ertegenover erbij bij elkaar.

Het was even stil, daar op de markt.
Dat dan weer wel.

Gerdien Brinkman

Een Brief aan mijn broer

Lees voor met webReader

Lieve broer,

Omdat het –kennelijk- niet zo duidelijk is wat me werkelijk mankeert, omdat ik het niet uit kan leggen en zeker niet telkens , doe ik het maar op deze wijze.
Trouwens: ook  omdat ik niet onhartelijk wil overkomen.
Want! Want natuurlijk wilden je we best afzetten op het station.  Alleen komen we daar niet “toch wel langs”.  Het is omrijden, namelijk, en elk omrijden is ongepland en niet welkom.
Ik ga dat uitleggen.
Mijn hersenbloedingen– en dan heb ik het niet eens over mijn eerdere herseninfarct, dat door mij  en mijn totale professionele omgeving  zo ongeveer terzijde is geschoven-  heeft  een nieuw gegeven geïntroduceerd in ons leven: beperkte energie en de  -laat ik het maar zo zeggen- laagdrempelige prikkelbestendigheid.
Om het simpel te zeggen: ik plan zo ongeveer alles, qua energie.
Elk geluid komt ongefilterd binnen , elke andere prikkel idem.
Namelijk.
Zicht, gevoel, geluid: het dient door mij gedoseerd  te worden.
Dat valt niet altijd uit te leggen.
Aan mij is niks te zien – hoop ik, en gelukkig maar-  en dat heeft tot gevolg dat men zich vaak niet realiseert dat er wèl  sprake is van hersenbeschadiging en van beperkte beschikbaarheid.
Één  ding per dag: dat is al anderhalf jaar het adagium. Losjes omgaan met mijn tijd: dat is er niet bij.
Dat hindert me,  dat mijn tijd en mijn energie niet meer van mij zijn. Onbelemmerd en onbekommerd.

Soms is het nodig om het uit te leggen.
Nu, dus.

je zus

Stok

Lees voor met webReader

STOK
In lastige omgevingen: stad, winkels, wherever: als er obstakels zijn, mensen (ook obstakels), verkeer (idem), loop ik met een stok. Ik ben onvast ter been; dat geeft niks als ik “in het open veld” loop. Een eventuele valpartij levert dan als hoogste ongemak op dat ik weer moet opstaan.  En dan is, dan mag gerust gezegd worden, een helpende hand snel ter plekke.
Mensen zijn behulpzamer dan wel eens gedacht wordt.
“Gaat het, mevrouw?”
Wel ja, nog steeds.
“Zal ik u even helpen?”
Graag.
En met enig gesjor en gesteun ben ik weer overeind. Ietwat minder vast ter been als voordien, maar: ter been en daar gaat het maar om.
Risico van het vak: lopen zonder stok.

In lastige omgevingen, dus, loop ik met twee stokken.
En val ik nooit.

Rechargable

Lees voor met webReader

Door Gerdien Brinkman 

De meeste batterijen zijn heroplaadbaar, de meeste mensen ook. (Alleen aan het laatste endje wil dat niet meer lukken, maar dat geldt voor baterijen ook. Op = Op.) Voor heropladen heb je een restje energie nodig, waarop voort- en opgebouwd kan worden. 
Een accu is daarvoor een beter voorbeeld dan een batterij. Als een accu echt he-le-maal leeg is, is opladen een wezenlijk probleem. Er dient een bodem te zijn om het geheel weer een beetje in beweging te krijgen.
Mensen, met name NAH-ers, hebben dat ook. Je moet èrgens kunnen beginnen met heropbouwen, als je over de drempel gegaan bent. Soms, sòms… ben je niet alleen de drempel over: je bent geëindigd in niks meer. Nada.
Dat merk je dan pas als je aan het werk gaat met opladen door niets te doen, rusten, lezen, alles wat geen energie kost, maar dat juist moet leveren.
Het opladen lukt niet.
Of lukt amper, dat is juister gezegd. Zó kom je (ik) in dat niks terecht. (Bijvoorbeeld, want het gebeurt wel vaker. Grenzen zijn irritant, in alle opzichten, dus daar ga je gewoon overheen.) Je tandarts woont en werkt in het andere einde van het land, je vertrouwt alleen haar je gebit toe, dus Mantel en jij reizen pakweg anderhalf uur naar het andere einde van het land. 
Tandarts neemt de tijd (je was ooit haar eerste patiënt ); anderhalf (!) uur later komt Mantel je halen en je gaat lunchen bij goede vrienden.
Lekker. 
Het is wèl het derde ding die dag ( sorry, ergotherapeut) en de terugreis (in file, want andere kant van het land) telt als vierde en vijfde ding (nogmaals sorry).
Eenmaal werkelijk uitgevloerd valt er niet meer normaal te slapen (herken je dat?), worden dag-en-nachtritme bijna omgedraaid, waardoor je nòg prutser wordt en…pffrrrr. 
De moraal van dit verhaal (want dat heeft het): erken en hèrken je grenzen.
Tijdig, hoe moeilijk ook.
Uiteindelijk ben je niet meer rechargeable, namelijk.

GETIJDENCOËFFICIËNT

Lees voor met webReader

GETIJDENCOËFFICIËNT

Door Gerdien Brinkman 

Tja, bij ons spoorweghuis in Normandië hoort een buurtje.

Twee buren zijn prominent (wel drie keer per week over het tuinhekje) aanwezig: Marcel, beetje voddig, erg lief, vier zoenen. Hélène, burgemeester van ons dorp(je) is altijd overal waar ze nodig is. Openen van een marktje, een stervende alleenstaande overbuurvrouw  (met kinderen in Parijs die het de moeite niet waard vinden om even over te komen): twee zoenen, comme il faut en Normandie.

Marcel zoent omdat-ie dat bijzonder vindt: Nederlandse dames.
Hélène omdat het protocol is, en omdat we al 11 jaar buren zijn.

Maarrrruhh.… Marcel had wel groot nieuws (hij is midden zeventig en leeft in zijn moestuin en die van de burgemeester): het werd springtij! en dan wel met de hoogste getijdencoëfficiënt van de eeuw. Centdixneuf!!!!!!!

Ai.
Ons spoorweghuis bevindt zich 1,5 km van de kust; met een natuurlijk duin tussen de oceaan en ons, maar toch.
Twee dagen later wàs het hoogtij, en het was hóóg.
De wind was aflandig, dat hielp.
De door Marcel (on)gehoopte overstroming (van hooguit 2 cm landinwaarts) was afgewend.

Wel bulderende golven, de hele nacht door.
En. Vooral de rust van de golven.
Geen zee zo hoog of het doet NAH goed.

Van mantel naar nerd

Lees voor met webReader

Door Gerdien Brinkman

Als je grote moeite hebt met het ordenen van stapels (kleren, papieren, noem maar op) ben je stapelgek. Dat ben ik.
In dezelfde mate ben ik apparatengek. Ik kan goed met apparaten omgaan, daar niet van, maar als ze het niet doen, ga ik net zo lang door met problemsolving tot ik er stápelgek van ben geworden.

Deze week ben ik dus stapelgek geworden van apparaten. Dat zit zo.
We hebben een drie-in-één abonnement genomen: tv, telefoon en internet bij dezelfde provider. Dat betekende nogal wat herprogrammering zo hier en daar.
Gelukkig kwam er een expert (onthoud de benaming) om die klus te klaren. Vier uur.
Na vier uur geklungel kon hij melden dat het af was.

“Waar is het modem?”, was de allereerste vraag die hij stelde. Aangezien ik me er maar niet mee moest bemoeien, want te vermoeiend, gingen mantel en expert samen opzoek naar het modem met de adsl-aansluiting. Onder de grond, in de meterkast, bellen met de vorige eigenaar –die in Thailand bleek te verblijven-: niets vermocht het door de expert rood gewaande ding boven tafel te brengen.
“Maar dat is toch gewoon dàt ding?”, zo wees ik het modem aan dat op het bureau stond, “ mèt adsl-aansluiting”.
Ja dat was ‘m. Zwart weliswaar, maar ’t was ‘m.

Ik zal je de rest van de ellende besparen. Alleen nog één ding(etje). De telefoon kwam te vallen de volgende dag en was nogal kapot. Nou, daar was een mouw aan te passen: een nieuwe gehaald.
Die het na vier uur puzzelen, logisch nadenken enzovoorts, nòg niet deed.
Na raadplegen van de provider (mantel was inmiddels een regelrechte nerd geworden) was het probleem na 2 uur opgelost.

Maar toen verviel internet op alle pc’s, I-pad en telefoons.
Nerd en ik hebben alle problemen getackeld, maar stápelgek zijn we er wel van geworden.

gerdien2

BOLLE VOETEN

Lees voor met webReader

Door Gerdien Brinkman

Mijn hersens denken dat mijn voeten aan de onderkant bol zijn. Vooral ’s ochtends denken ze dat.
Rare dingen hoor, die hersens. Ze bedenken een pijn die er niet is, ze bedenken zelfs iets dat er niet is. En begrijp me goed: ik ben blij dat ik ze heb, nòg heb, die hersens. Niet geheel ongeschonden, maar toe maar. Overal mankeert wel wàt aan, tòch?
Ze bedenken ook bijvoorbeeld opgerolde sokken in een schoen; maar misschien ligt die waan wel in het verlengde van de bolle voeten.
‘s Ochtends  dus, na het wakker worden, strompel ik op die bolle voeten (ja dat loopt echt lastig, hoor; een kwestie van balanceren en tegelijkertijd vooruit komen) naar de badkamer waar mijn heerlijke Birckenstock sandalen staan te wachten. Ja lach maar, ze zijn niet alleen voor oude mensen met bolle voeten, ze zijn toevallig ook weer een soort van hip geworden.
Een fantastisch voetbed: daar kan geen bolle voet tegen op.
Ook na het douche en aankleden wacht een –ander- paar Birckenstocks (nee, ik word niet betaald door de firma) op me. Mijn nicht van 25 en haar verkering vinden deze übercool.
Zo.

In de loop (en dat mag je letterlijk nemen) van de dag neemt het bolle gevoel wat af. Hoe meer ik loop, des te minder bol. Nou hebben wij een hond die twee dingen in het leven bar serieus neemt: eten en uitgaan. Dat laatste levert toch gauw een uur lopen per dag op (de hond loopt/rent tien keer de afstand die wij lopen). En dan vergeten die hersens ook wel eens dat ze ook nog moeten (be)denken.
Heb ik ze mooi tuk! Uiteindelijk loop ik recht en niet meer wiebelig door bos en hei.
Zonder stok, ook dat nog es.

bollevoeten

Bejaarden

Lees voor met webReader

Door Gerdien Brinkman

Je kon er op wachten: als 61-jarige (!) NAHblogger op een site “van, voor en door jongeren met NAH”, moest ik een keer een blog schrijven met dit thema.
Niet dat ik bejaard ben, hoor! Welnee, bij lange na niet. Tenminste…in mijn optiek , maar ik ben me er scherp van bewust het fenomeen leeftijd een zeer betrekkelijk fenomeen is.
Een 29-jarige kan door een 10-jarie als stokoud worden beschouwd, terwijl diezelfde 29-jarige door een 50+ -er als piep wordt gezien.
Dat mijn leeftijd als gevorderd kan worden betiteld: oké, daar ontkom ik niet aan. Bejaard : tja…. maar laat ik je de volgende situatie beschrijven.

Mantel (61) en ik (idem, dus) lieten onze hond uit. Onze lievelingsroute en zéker die van Jopi, onze zoete, conflictvermijdende nep-black-lab ( ze staat zelfs haar lievelingsding, een tennisbal onmiddellijk af aan een 6 weken oude ruigharige dwergteckel, als die laatste er alleen maar naar kijkt! Stel je voor dat je mot krijgt. Dus teckel de bal, die ’t amper in de bek krijgt en Jopi maar wat snuffelen, om zich een houding te even.) is die rondom de Whytmener plas. Honden mogen los, het is een honden-en wandelgebied, waar alle honden en hondenbezitters die elkaar ergens gedurende de eénuurswandeling tegenkomen, alle honden en hondeneigenaren kennen.
(Uitweiden is een typisch NAH-verschijnsel, dat zie je maar weer eens. Dit stukje ging over bejaarden en daar zal het over gaan. Lees maar.)

Die dag kwamen we een brommer tegen, met een nurks kijkende jongeman erop.
Ik kéék.

( Nu heb ik na mijn CVA’s uitgebreide logopedie gehad en mijn logopediste merkte wel op, nadat ze me uit de wachtkamer had gehaald: nonverbaal kan ik je niets leren. Nu zaten er in die wachtkamers ook revalidanten met een lap waar je een top op kon laten rusten; en dan toch maar roken, tussen de therapieën door. Mèt infarct, dus revaliderend. Nou, dan kijk je dus zó.)

De brommende jongeman kon een stukje verderop niet verder, vanwege een slagboom. Hij keerde en kwam ons dus weer tegen. Ik keek opnieuw en sprak: “Je mag hier niet brommen, dit is een wandelpad.” Nu ben ik met mijn 61 jaar zichtbaar grijzend, dus val makkelijk in de categorie bejaarden. Dat ik hem desondanks durfde aan te spreken, dàt overviel hem. Daar moest hij wat tegenoverstellen, dat was duidelijk. Hij moest er lang over nadenken, toen reed hij door om een veilige afstand tussen twee duidelijk gevaarlijke, want bewapende (ik loop met een stok) en hem te scheppen. Toen kwam het eruit: “Ach jùllie, jùllie (hij durfde het amper), jullie gèkke bejáárden!!

Tja, dan ben je dus bejaard.

We hebben er erg veel plezier om gehad: het was het ergste dat hij kon bedenken om ons naar het hoofd te slingeren. Maar, nogmaals tja: we zijn niet bejaard, natuurlijk. Maar in de ogen van –sommige- anderen ligt dat toch net even ietsje anders.
Ik zou zeggen: lang leve Brainstormt en lang leve jullie allemaal!

bejaard

IN GEZELSCHAP

Lees voor met webReader

Door Gerdien Brinkman

Vanaf meer dan vier personen gaat het gegarandeerd mis: men gaat door elkaar praten. Ook vier personen of minder praten door elkaar, maar dat valt nog te corrigeren. “Jongens, één voor één, please” en dat doen ze dan –meestal-. Zelfs houden ze dat ook nog een tijdje vol.
Maar meer dan vier, nee dat gaat niet. Bovendien voel je je dan ook wel een ouwe zeurneus, telkens corrigeren en om aandacht vragen. Ik houd dan maar op te proberen het gesprek te volgen.
En het is verbijsterend hoe vaak mensen elkaar in de rede vallen, zinnen niet worden afgemaakt, en zo al pratende misverstanden ontstaan.
“Ik zei net toch dat…..”, “Nee hoor, dat ging over die andere keer dat……..”, “Nou maar ik vind…….”.

Pfrrr.

Eén keer werd er –met enthousiaste medewerking van anderen uit het gezelschap- een interessante draai aan gegeven. We zaten met zo’n tien (10!) mensen aan een picknicktafel. Het gesprek ging over Wilders, de IS, onthoofdingen en meer van dat leuks waarover iedereen wel een uitgesproken mening heeft.
Niet te volgen, dus.
Dat meldde ik maar weer eens en toen werd de “debatmethode “ ingevoerd. Je kreeg het woord als je je meldde met je hand omhoog; de voorzitter wees aan. Aangezien ik de NAH-er was, zat ik voor en wees aan.
Dat ging gedisciplineerd en was zeer geanimeerd. Men luisterde naar elkaar, ging in op argumenten, reageerde inhoudelijk zonder stemverheffing.
Zonder dat men het raar vond of gekunsteld.
Het was een heel andere manier van communiceren: het spel werd voor iedereen het middel om standpunten goed onder woorden te brengen.

Maar ja, dat doe je natuurlijk niet al te vaak. Je moet er het goede gezelschap en het juiste onderwerp van discussie voor hebben.
Verder: maar gewoon blijven vragen of mensen niet te veel door elkaar praten (vaak snappen ze het verzoek bèst, zo is mijn ervaring) en niet in een groter gezelschap van 4 vertoeven.

Mòcht je echter een keer in een verhitte, interessante discussie terecht komen: probeer de debatmethode eens!

gerdien

PN59

Lees voor met webReader

Door Gerdien Brinkman

PN59 staat voor “passage à niveau”: gelijkvloerse kruising van een spoorlijn en een weg. En daar waar spoorlijn en weg elkaar snijdt, dient er op de trein en het wegverkeer gelet te worden. Opdat ze elkaar niet in de weg zitten; daar komen nare dingen van. Bij zo’n PN hoort dan ook een spoorweghuis (geen idee waarom er geen spoorbomen zijn) en dat was voorheen de behuizing van de spoorwegman en –vrouw. Die kwamen, bij naderende trein, het huis uit met een rode vlag, posteerden zich op de weg. Mòcht er wegverkeer zijn, werd dat aldus tegengehouden.
Tegenwoordig, nu de trein alleen nog maar dienst doet in het hoogseizoen als toeristentrein (tweemaal per week); vrijwilligers doen dienst als spoorwegwachters.
Zoals de benaming al doet vermoeden, staat PN59 in Frankrijk, in Normandië om precies te zijn.
En het is ons tweede huis. Niet groot, uiterst geriefelijk en voorzien van een giga-tuin. Overdag vergaderen de heggemussen, ’s nachts hoor je uilen communiceren.
Het is een oase van rust.
Een plek waar iedereen ruim kan ademhalen (de oceaan ligt 1,5 km verderop, ook al zo fijn) en NAH-ers al helemaal.

Nieuwe plekken bezoeken betekent nieuwe prikkels. Dat is óók zo plezierig aan het bezit, daar in Normandië: je bent op vakantie in je eigen huis. Alles is bekend, mèn kent je, je weet de winkels, de restaurants. Sáái, zal menigeen van jullie zeggen. Maar als 60-er is dat niet meer zo. Ik heb het geluk gehad het overgrote deel van mijn leven als niet-NAH-er door te kunnen hebben gebracht; ik heb derhalve veel kunnen reizen, veel gezien en het is genoeg.

Ik –wij, want mantel is het daar mee eens- ben uitermate gelukkig in PN59.
En weet je: in het dorp wordt met oud en nieuw nul geknald. Nùl!
Alleen héél in de verte (daar ligt Guernsey, een kanaaleiland) komt er bij de jaarwisseling wel es een vuurpijl omhoog. Eén of twee, hooguit.
Èn er komt een feesttrein voorbij: dansende en zingende mensen erin. Da’s alleen maar leuk, want dan heb je ook nog wat te proosten.

Verder niks.
Vive PN59!

DSCN1798 (640x480) (2)

Stapelgek

Lees voor met webReader

Door Gerdien Brinkman

Ik ben niet gek op stapels.
Eén stapel ordenen: ik raak geïrriteerd tot overstuur.
Ik geef wat voorbeelden.

Koffers kan ik niet inpakken; dan moet je eerst stapels met kleren hebben, gerangschikt naar soort en voldoende voor gebruik in den vreemde. Daar waar ik vroeger onnadenkend wat T-shirts, broeken en dergelijke in een koffer pakte, sta ik nu wanhopig tussen stapeltjes, vind ze niet logisch en begin opnieuw. ( Eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat ik me tegenwoordig verre van koffers houd. Mantel verzorgt dat deel van de reis. Ik doe het eten, dat dan weer wel.).

Het meest fameuze voorbeeld van falen in één stapel gebeurde bij het afscheid van een collega.
Hij had mij verzocht de toespraak te houden, hij is ziek en diende vroegtijdig afscheid te nemen.
Verdrietig; toch was ik blij dat hij, samen met zijn vrouw, de stap naar mij had gezet.
En natuurlijk stemde ik toe.
Ik ben nauwgezet in het voorbereiden van toespraken, dat ben ik altijd geweest.
Op de receptie was het zeer druk, de akoestiek niet erg NAH-fähig, en halverwege was ik een vel van mijn toespraak kwijt.
Geef de pagina dan ook nummers, zul je zeggen!
Nah, ik zeg je: dat deed ik, maar daar kijk je niet naar. Je kijkt naar de toegesprokene, en naar de aanwezigen daaromheen.
Ik stokte, het was en bleef stil….en dáár kwam de Mantel uit het publiek tevoorschijn. Ze had een duplicaat van de toespraak bij zich, mèt de ontbrekende pagina.
Geen paniek, ik kon gewoon doorgaan.

Maar die stapels; meer dan één is al genoeg om me stapelgek te maken. Telkens opnieuw rangschikken, herrangschikken (ook al heb je alle pagina’s genummerd: probeer maar eens een artikel of –erger!- een boek te schrijven en daarmee aan het redigeren te gaan. Gaat niet. Geen overzicht, lees de blog van Zarah er maar op na.)
Volgend voorbeeld.
Een vergadering met tot dat doel gemailde stukken, die dan ook nog op twee PC’s en een Ipad binnengekomen en wel/niet opgeslagen zijn.
Ik kreeg de stapels, die ik naar mijn beste weten een aantal weken daarvoor al keurig gestapeld had, niet meer boven tafel. Waarschijnlijk weggegooid, want ik had in plaats daarvan twee stapels met het manuscript van mijn boek. Niet erg ter zake op dat moment.
In de vergadering – het betreft de Cliëntenraad van een revalidatiecentrum voor NAH- zat ik naast een mede-NAH-er. Samen hadden we het hele stapeltje wel zo’n beetje compleet, maar het blééf zoeken, bladeren en omstapelen.

Máárrr, er zijn altijd oplossingen, waaronder de volgende.
Eén stapel tegelijkertijd, en deze een kleur geven: wij, rode pagina’s, horen bij elkaar.
Die blauwe: néé, niet hierbij!
Een /je mantel inschakelen, vermits die tijd, zin en overzicht heeft.

En ach, enfin: er zijn zó veel andere tips. Men leert er mee te leven zonder èrg moe en impelstimpelstapelgek te worden.
Echter: stapel(tjes)gek ben ik wel.

Frau-im-Papier-Chaos

HITTE & HERRIE OP HET STATION

Lees voor met webReader

Door Gerdien Brinkman

Weet je, ik vind hitte niet erg. Hoed op, voor ‘tegen het hoofd’, onder een breed uitwaaierende boom (liefst een notenboom, want die weren muggen en da’s fijn bij het water), aan het water (dat koelt, want het gebruikt de warmte om te verdampen, in plaats dat jijzelf verdampt), ijsthee (want idem), zorgeloos genieten van de zomer.
Heerlijk.

Een uitzondering: hitte op een station, een spoorwegstation welteverstaan, is niet te doen.
NIET DOEN!
Het ijsje is gesmolten voordat jij er naar gekeken hebt. Je hersens zijn gesmolten en niets meer waard, voor wat ze al waard waren, je knieën knikken verkeerd om. Geen schaduw, hooguit een overkapping die de gehele dag al warmte genoeg heeft opgeslagen voor een vroege winter.
NIET DOEN, zo’n station! En, indien mogelijk: snel weer weg.
Herrie is nooit te doen. Herrie is mijn natuurlijke vijand, altijd en overal.
Zeker op een station, een spoorwegstation dus. Het knarst, knerpt, remt onverdraaglijk hard. Het roept ook nog es om. Daar versta ik (jij ook? Herken je dat?) helemaal niets van; dat het heel veel geluid maakt, ongevraagd (maar het zal een doel dienen) dóórknettert en schettert: het is een gegeven, zelfs op en klein station zoals pak ‘m beet Kampen of Vorden (tja, men komt nog es ergens).
De combinatie van hitte op een station (geen notenboom, geen stromend water, wel eventueel ijsthee, maar dan moet je er wèl willen vertoeven en dat wil je niet) en de alom aanwezige herrie (altijd, overal) is, zeg maar, niet leuk.
Men wil dat niet en zeker niet qua NAH.

Ach, een brede strohoed, een zwoel windje naast een kalm stroompje, een enorme kan ijsthee: lang leve de zomer.
Tòch?!

Herrie-plaatje1

Die jeugd van tegenwoordig

Lees voor met webReader

Door Gerdien Brinkman

Die bestaat al eeuwen, hoor. Elke generatie verder is er een nieuwe jeugd van tegenwoordig.
En daar mankeert altijd wat aan, lijkt het wel.
Nu is dit een site door en voor jongeren met NAH.
Dus.
Ik ben niet jong en zelfs geen jongere. Grijs haar, eenenzestig jaar. NAH, dat dan weer wel.
En vóór jongeren, dat ook.
Want.
Als ik hoffelijkheid kan verwachten, met stok, driewieler of –heel soms- rollator, dan is het wel van jongeren.

“Gaat u maar, mevrouw.” De deur van de winkel wordt voor me opengehouden.
“Kan ik uw tas dragen?” Ik loop de trein in. “Gaat u maar zitten”, in een óvervolle bus, barstensvol met studenten die allemaal plat tegen de stoelen gaan aanstaan en hun buik inhouden om me door te laten.
“Geeft niks, hoor”, als ik weer eens vanuit een niet-al-te-slimme-positie in het verkeer op mijn driewieler me opeens bevind in een tegemoetkomende schóól met fietsende en bellende scholieren.

De jeugd van tegenwoordige neemt de tijd, heeft de aandacht en houdt rekening met zichtbare beperkingen.
Toegegeven, nu kies ik er ook voor om die beperkingen zichtbaar te laten zijn.
Stok: altijd handig op straat, de enkele keer in de supermarkt, bij de bakker.

Maar: mijn leeftijdgenoten. Ja, juist die mensen die klagen over die jeugd van tegenwoordig, nou die zien een stok, zien de aankomende trein en dringen voor.
Jawel, dat doen ze.
Niet allemaal, maar àls er voorgedrongen wordt bij treinen; kassa’s; fietsenstallingen, ook al zit je op een driewieler zichtbaar enigszins gehandicapt te wachten op een plekje: ze dringen voor.
Flops, dáár gaat weer een grijze baard, vooral niet kijkend; en hùps, een mevrouw met dezelfde fietskleren en fleece als haar man. Weg is je parkeerplek.

Nou ja, niet allemaal, niet alle leeftijdgenoten, en ook niet alle jeugd van tegenwoordig.
Maar toch ben ik milder over de huidige jeugd van tegenwoordig dan de tot mijn generatie uitgegroeide toenmalige jeugd van tegenwoordig.
Veel milder.

Misschien was de vroegere jeugd van tegenwoordig ook wel hoffelijk en hebben ze het gewoon verleerd.
Ik zou zo zeggen: “Jeugd van tegenwoordig, jullie doen het goed en houen zo.”

Zo.

images

Het nieuwe fietsen

Lees voor met webReader

Door Gerdien Brinkman

Heel Holland fietst.
Da’s algemeen bekend.
Vanaf je derde levensjaar, hier in Holland althans, rijd je prominent, tweewielerig en snel, sneller, op een Empo , een Batavus of een Gazelle.
In navolging van Pietje Pelle.
Maarrr! Soms steekt een Celebro Vasculair Accident een spaak tussen het wiel.

Fietsend evenwicht behouden, dat lukt goed, dat zit ons Hollanders in het bloed.
Opstappen houd je ook -met stuur en al-  nog in de hand, maar eràf; dat schiet soms dóór. Je voet wil niet meer wat jij wil, je been houdt er ook een andere mening op na; dan heb je een probleem.
Voordat je doorhebt wat er precies aan de hand is, daar beneden, lig je op de grond, omgeven door meelij en meelevende ogen.
Dan ga je liefst dóór de grond, met fiets, been en voet en al.
“Gáát het mevrouw?”
“Ja hoor, nou,  het gaat bèst wel…” “Als je me even helpt met  m’n fiets en met mezelf, dan kom ik overeind en kan ik op huis aan. .”
En ja hoor, dat ging altijd bèst wel.
Maar verder was het niets, zo op weg naar huis, lopend naast je fiets.
De mobiliteit was eràf, zogezegd.

Heel Holland fietst.
En dat moest ik toch ook maar blijven doen, vond ik.
Maar niet meer op een tweewieler, die kunnen makkelijk omvallen, zo is inmiddels mijn ruime ervaring.
Goede raad was helemaal niet zo duur: op naar Het Nieuwe Fietsen!
Daartoe heb ik een DrieWieler voor Volwassenen (DWvV) aangeschaft en hop! Erop!!
Dat ging goed hoor: hop! Erop!!
Maar verder….. fietsen….. zonder in de sloot terecht te komen:
nou nee, dat viel dus algeheel en zeer gemeen niet mee.
Niks hop! Erop ging wel, dat was een openbaring: iedereen kon omvallen en ik niet meer.
Maar sturen op een DWvV: nee.
De Nieuwe Ervaring is dat je lichaam niet meer mee telt.
Hoe sterk en ver je ook naar links of rechts overhelt: het haalt geen fluit uit.
Dat vraagt om een nieuwe besturingsstrategie.
Alle handen aan het stuur, alsmede ergotherapie, die je leert te sturen met een merkwaardig willig stuur. Linksom, rechtsom, 90 tot 180 graden: daar draai ik mijn hand niet voor om.

Ach: heel Holland fietst en ik ook.
Ik ben weer volwaardig deelnemer aan het verkeer.
Het allermooiste is: mensen kunnen zien dat ze rekening met me moeten houden.
En het allerallermooiste: ze doen het ook.

driewielfiets