‘Ja, maar jij bent lekker vrij…’

Lees voor met webReader

Door Douwe Weitenberg

Er uitzien als Hollands welvaren en toch iets onder de leden hebben? Dat is wat een NAH met je doet en wat voor verwarring en onbegrip zorgt bij vrienden, kennissen en collega’s.

Komende 31 juli is het alweer 4 jaar geleden dat ik getroffen werd door een geknapte aneurysma in mijn hoofd, oftewel het knappen van een slagader onder mijn schedel. Ik wist dat alles weer goed zou komen. Alles? Ok, bijna alles…

De maatschappelijk werkster vroeg of ze mijn optimisme als voorbeeld mocht gebruiken voor andere patiënten die ook een aneurysma hebben. Uiteraard zei ik daar ja op, want als ik maar één iemand daarmee kon helpen, was dat voldoende…

Na een maand thuis gezeten te hebben, ging ik weer langzaam aan het werk en ik moet zeggen, ik kon me geen betere werkgever wensen. Het is nogal wat, voor een langere periode twee uur per dag om de dag werken dan zo moe zijn dat je per etmaal gewoon 16 uur slaapt. Daar begon ook het eerste onbegrip (onbekend maakt onbekend nietwaar?). Op een gegeven ogenblik zei ik nietsvermoedend op een woensdag: ‘’tot vrijdag, jongens’’. Waarop een collega zei: ‘’o, je bent morgen lekker vrij?’’ Waarop ik me meende te moeten verdedigen en dus zei: ‘’vrij? Ik slaap 16-18 uur.’’ Waarop het antwoord kwam: ‘’ja, maar je bent lekker vrij…’’.

Na anderhalf jaar re-integreren ging ik in november 2011 weer full-time werken. Uiteraard stapsgewijs opgebouwd. Ik was ook in de gelukkige omstandigheid om op vakantie te gaan naar Vancouver. Teruggekomen uit Vancouver had ik een gesprek met mijn toenmalige manager, omdat ik toch wel heel erg last bleef houden van zware vermoeidheid, concentratieverlies en een kort lontje (verbaal). We spraken, in samenspraak met de bedrijfsarts, af dat ik niet een half uur lunchpauze, maar een uur lunchpauze zou nemen, zodat ik mijn batterij kon opladen. Tijdens datzelfde gesprek vroeg mijn manager wanneer ik dacht dat mijn chronische vermoeidheid over zou zijn. Ik dacht dit meen je niet. Ik zeg nog het is chronisch en niet Gronings… Toen kwam de zin die mij bijna mijn zelfbeheersing deed verliezen, want hij maakte de volgende opmerking: ‘’ja dat zeg je wel, maar als je echt wil…’’. Ik ben weggelopen met mijn vuisten gebald in mijn broekzakken en bedacht tegen zoveel domheid kan ik niet op.

Is het dan alleen kommer en kwel met collega’s? Nee, dit zijn uitzonderingen, de meeste collega’s hebben begrip voor de situatie en zelfs een enkeling steekt me een veer in de kont door te zeggen dat ze zoveel respect voor me hebben. Ze vinden het knap dat ondanks mijn chronische vermoeidheid het glas altijd half vol is en dat ik mij nooit achter mijn vermoeidheid verschuil.

Wat is nu in mijn ogen de moraal van dit verhaal? Je zult altijd een aantal mensen houden, die alleen geloven wat ze kunnen zien en als ze het niet kunnen zien denken dat het tussen de oren zit. Maar het overgrote deel zal altijd respect, soms zelfs bewondering voor je hebben. Voor wat je allemaal nog kan, niet ondanks je handicap, maar juist dankzij je handicap.

onbegrip

Geef een reactie